Nieuw fide reglement per 1 juli 2014

1 juli j.l. heeft de Fide het schaakreglement ingrijpend aangepast. In het schaakmagazine van de KNSB zijn diverse wijzigingen reeds besproken. Toch wil ik jullie adviseren het FIDE-reglement eens aandachtig door te lezen. De link daar naartoe is deze:
http://www.schaakbond.nl/knsb/handboek/schaakregels/FIDE-Regels%20voor%20het%20Schaakspel%201-7-2014.pdf

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om een opsomming van een aantal artikelen te geven, waarvan ik in de praktijk zie dat deze niet bij iedereen even goed bekend, maar wel belangrijk, zijn.

artikel 6.2

6.2 a. Tijdens de partij moet elke speler die zijn zet op het schaakbord heeft
gedaan, zijn eigen klok stilzetten en de klok van zijn tegenstander in gang
brengen (met andere woorden: hij drukt zijn klok in). Dit indrukken
‘voltooit’ de zet. Een zet is ook voltooid als:
1) de zet de partij beëindigt (zie de artikelen 5.1a, 5.2a, 5.2b, 5.2c, 9.6a,
9.6b en 9.7), of
2) de speler een volgende zet heeft gedaan, in geval zijn vorige zet niet
voltooid was.
Een speler moet altijd de kans krijgen zijn klok stil te zetten na het doen
van een zet, zelfs als de tegenstander zijn volgende zet al heeft gedaan.
De tijd tussen het doen van de zet op het schaakbord en het indrukken van
zijn klok wordt beschouwd als deel van de aan de speler toegekende
bedenktijd.
b. Een speler moet zijn klok indrukken met dezelfde hand als waarmee hij zijn
zet deed. Het is een speler verboden een vinger op de klok te houden of
erboven te laten ‘zweven’.
c. De spelers dienen de schaakklok correct te behandelen. Het is verboden de
klok met kracht in te drukken, hem op te tillen, de klok in te drukken
voordat hij gezet heeft of om te gooien. Een incorrecte behandeling van de
klok moet worden bestraft overeenkomstig artikel 12.9.
d. Alleen de speler van wie de klok loopt mag de stukken rechtzetten.

6.5 Vóór het begin van de partij bepaalt de arbiter waar de schaakklok wordt
geplaatst.

6.10.b Als tijdens de partij geconstateerd wordt dat de instelling van een of beide
klokken incorrect is, dan moet een van de spelers of de arbiter de
schaakklok onmiddellijk stilzetten. De arbiter moet de correcte instelling
invoeren en de kloktijden en zonodig de zettenteller aanpassen. Hij moet
met uiterste zorgvuldigheid de juiste instellingen van de schaakklok
bepalen.

7.4 Als door toedoen van een speler een of meer stukken niet op de juiste plaats
staan, dan moet hij de stelling in zijn eigen tijd herstellen. Indien noodzakelijk
moet de speler of zijn tegenstander de schaakklok stilzetten en om de
assistentie van de arbiter vragen. De arbiter kan de speler die de stukken van
hun juiste plaats bracht bestraffen.
7.5 a. Als tijdens een partij blijkt dat er een onreglementaire zet is voltooid, moet
de stelling teruggebracht worden naar de stelling onmiddellijk voorafgaand
aan de onregelmatigheid. Als deze niet kan worden bepaald, moet de partij
voortgezet worden vanuit de laatste vast te stellen stelling voor de
onregelmatigheid. De artikelen 4.3 en 4.7 zijn van toepassing op de zet die
de onreglementaire zet vervangt. De partij moet dan worden voortgezet
vanuit deze herstelde stelling.
Als de speler een pion heeft gespeeld naar de rij die het verst van zijn
beginpositie is verwijderd, de klok heeft ingedrukt, maar de pion niet heeft
vervangen door een nieuw stuk, dan is de zet onreglementair. De pion moet
vervangen worden door een dame van dezelfde kleur als de pion.
b. Na de in artikel 7.5a beschreven handeling moet de arbiter bij de eerste
voltooide onreglementaire zet van een speler, twee minuten extra tijd aan
zijn tegenstander geven; bij een tweede onreglementaire zet van dezelfde
speler moet de arbiter de partij voor hem verloren verklaren. De partij is
echter remise als de stelling zodanig is dat de tegenstander niet mat kan
zetten door welke reeks van reglementaire zetten dan ook.

8.1 a. Zolang de partij duurt is elke speler verplicht zijn eigen zetten en die van
zijn tegenstander op de juiste wijze te noteren, zet voor zet, zo duidelijk en
leesbaar mogelijk, in de algebraïsche notatie (aanhangsel C), op het
notatieformulier dat voor de wedstrijd is voorgeschreven. Het is niet
toegestaan zetten vooraf te noteren, tenzij de speler remise claimt op grond
van artikel 9.2 of 9.3, of er wordt afgebroken volgens aanhangsel E.1a.
b. Het notatieformulier mag alleen worden gebruikt om de zetten, de
kloktijden, de remisevoorstellen, zaken betreffende een claim en andere
relevante gegevens te noteren.
c. Een speler mag een zet van zijn tegenstander beantwoorden alvorens die te
noteren, als hij dit wenst. Hij moet zijn vorige zet opschrijven voordat hij
een nieuwe doet.
d. Het aanbieden van remise moet door beide spelers worden genoteerd met
het volgende teken (=).

8.2 Het notatieformulier moet tijdens de hele partij zichtbaar zijn voor de arbiter.
8.3 De notatieformulieren zijn eigendom van de organisator van de wedstrijd.
8.4 Als een speler op enig moment in een periode minder dan vijf minuten over
heeft op zijn klok en hij er niet minstens dertig seconden toegevoegde tijd per
zet bij krijgt, dan is hij voor het restant van die periode niet verplicht zich aan
de vereisten van artikel 8.1 te houden.
8.5 a. Als beide spelers niet noteren volgens artikel 8.4, dan moet de arbiter of
een assistent proberen aanwezig te zijn en te noteren. In dit geval moet de
arbiter de schaakklok onmiddellijk na het vallen van een vlag stilzetten.
Beide spelers moeten dan hun notatieformulier bijwerken, gebruik makend
van het formulier van de arbiter of van de tegenstander.
b. Als slechts één speler niet genoteerd heeft volgens artikel 8.4, dan moet hij
zodra er een vlag is gevallen, zijn notatieformulier volledig bijwerken
alvorens een zet op het schaakbord te doen. Indien hij zelf aan zet is, mag
hij het formulier van zijn tegenstander gebruiken, maar hij dient dit terug te
geven alvorens een zet te doen.

9.1.b Een speler die remise wil aanbieden, dient dit te doen nadat hij zijn zet
op het schaakbord heeft gedaan, en voordat hij zijn klok indrukt. Een
remiseaanbod op elk ander moment tijdens de partij is wel geldig, maar
moet worden getoetst aan artikel 11.5. Aan het aanbod kunnen geen
voorwaarden worden verbonden. In beide gevallen kan het aanbod niet
worden ingetrokken en blijft het van kracht totdat de tegenstander het
aanneemt, het mondeling afwijst, het afwijst door een stuk aan te
raken met de bedoeling er een zet mee te doen of het te slaan, of de
partij op een andere wijze is beëindigd.

9.2 De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat dezelfde
stelling voor minstens de derde keer (niet noodzakelijkerwijs door
opeenvolgende herhaling van zetten)
a. tot stand gaat komen, als hij eerst zijn zet, die niet gewijzigd mag worden,
op zijn notatieformulier noteert en de arbiter zijn voornemen meedeelt om
deze zet spelen, of
b. zojuist tot stand is gekomen, en de speler die remise claimt aan zet is.

9.5 Als een speler remise claimt op grond van artikel 9.2 of 9.3, dan moet hij of de
arbiter de schaakklok stilzetten (zie artikel 6.12a of 6.12b). Hij mag zijn claim
niet intrekken.

9.6 De partij is remise als een of beide van de volgende punten aan de orde zijn:
a. dezelfde stelling, zoals in 9.2b, is bereikt na ten minste vijf opeenvolgende
alternerende zetten van beide spelers.
b. in een reeks van 75 opeenvolgende voltooide zetten van beide spelers is er
geen pion verzet en er is niets geslagen.